Maria Dymphnakapel

De Maria Dymphnakapel is een kleine en bijzondere kapel in de woonwijk Haagse Beemden in Breda.

Dagelijks open

Een rustpunt waar de deur dagelijks open staat, waar eenieder welkom is voor een moment van rust, geloof en inspiratie.

De kapel is in beheer bij de Bethlehemkern van Augustinusparochie Breda. Een groep betrokken vrijwilligers zorgt ervoor dat de deur dagelijks openstaat.

      “Fijn dat je altijd  binnen kunt lopen om een kaarsje aan te steken.”

De kapel financieel steunen

Een lang gekoesterde wens is verwarming in de kapel. Dan kan de Maria Dymphnakapel ook intensiever gebruikt worden. Ook het interieur is op verschillende punten aan vernieuwing toe. Hiervoor is veel geld nodig. Wij vragen van harte uw financiële steun. Dit kun je doen door een bijdrage over te maken op IBAN-nummer NL92 INGB 0004 4709 37 t.n.v. H. Augustinusparochie / Bethlehem  o.v.v. ‘donatie Dymphna kapel’.

Vrijwilligers

Een groep betrokken vrijwilligers zorgt ervoor dat:

– de deur dagelijks openstaat
– de kapel regelmatig schoongemaakt wordt
– de kaarsen worden aangevuld, het gras gemaaid
– de activiteiten in de kapel plaats kunnen vinden

Daar zijn we heel blij mee.

Naast de kapel bevindt zich de kapeltuin een buurtinitiatief waar we graag mee samenwerken.

Je vindt de Maria Dymphnakapel aan het Moerenpad 10 in Breda.

Activiteiten

Alles

Nieuws

Pastoraal team

Extra informatie

Historie Maria Dymphna kapel

Toen op 1 juli 1976 de gemeente Prinsenbeek de oostelijke helft van haar grondgebied moest afstaan aan de gemeente Breda, werd het monumentenbezit van deze stad verrijkt met een klein maar uniek historisch bouwwerk, de kapel van Gageldonk, of zoals de oorspronkelijke naam in de 14de eeuw luidde ‘Capelle S. Marie in Gageldonck’.

In zijn beschrijving van monumenten in de voormalige Baronie van Breda (1912) schatte de kunsthistoricus Jan Kalf op grond van de stijlkenmerken de bouwtijd van de kapel op het begin van de zestiende eeuw. Zeker is echter dat er reeds vroeger op Gageldonk een kapel heeft bestaan. Zij wordt namelijk genoemd in de registers van beneficiën (kerk-ambten met een vast inkomen) in het aartsdiakenaat Kempenland. In het oudste register, dat nog van vóór het jaar 1400 dateert, wordt een ‘altare in Gageldonc’ vermeld. In een register van 1485 is sprake van een ‘Capella S. Marie in Gageldonck’ en wordt deze als ‘castralis’ dus bij een kasteel behorend, betiteld. Op grond van deze gegevens kunnen wij aannemen dat de eerste kapel in het laatste kwart van de veertiende eeuw is gesticht.

In de loop der jaren

Waarschijnlijk is de eerste kapel geen afzonderlijk gebouw geweest, maar maakte zij deel uit van het kasteelcomplex. Als gebouw wordt zij voor het eerst genoemd in een leen-beschrijving van 25 april 1520, waarin sprake is van de ‘huysinge van Gageldonck metten Hazenberg daer de capelle op staet.’

Vermeld werd dat Henricus (de) Bye in 1438 kanunnik van de collegiale kerk in Breda was en later deken van het kapittel. Belangrijk voor onze tijd is dat hij in deze functie in 1449 het H. Sacrament van Niervaert overbracht naar Breda. Deze verering beleeft thans een nieuwe bloei in Breda.

Voor de instandhouding speelde de financiën ook toen een belangrijke rol. Vier missen in de week en een inkomen van vijftig rijnsgulden vormden zeker een rijke dotatie voor een ka-pel als die van Gageldonk, vooral in vergelijking met andere kapellen in de omgeving, b.v. Beek en Strijbeek: één H. Mis, zes gulden; Heusdenhout: één H. Mis, acht gulden; Galder: twee H. Missen, acht zester rogge.

Het is begrijpelijk dat de kapelanie van Gageldonk een begeerd beneficie was en dat de bezitters van het leengoed daarmee gaarne hun familieleden begunstigden.

Patrones van de kapel

De kapel was toegewijd aan de H. Maagd Maria, zoals reeds uit het bovengenoemde register van de beneficiën bleek. In akten betreffende de rectoren uit de zestiende en zeventiende eeuw is sprake van de Onze-Lieve-Vrouwe-kapel te Gageldonk. Er bestaat echter ook een traditie dat de H. Dymphna, de patrones tegen de zwakzinnigheid, in de kapel vereerd zou worden.

Dit wordt onderschreven door Pastoor J.B. Krüger in zijn Kerkelijke Geschiedenis van het Bisdom Breda, die, schrijvend omstreeks 1870, eraan toevoegt: ‘Nog niet lang geleden kwamen nog op den feestdag van de H. Dymphna, den 15 Mei, eenige menschen deze plaats bezoeken’. Dymphna was een Ierse koningsdochter, die leefde in de zevende eeuw. Gevlucht voor haar vader, die na de dood van zijn vrouw met haar wilde huwen, zou zij in de omgeving van Geel, in het huidige België, zijn onthoofd. De verering van deze heilige heeft zich vooral in deze streek verspreid. De Merode’s, die heer van Westerlo en Geel waren en later in het bezit kwamen van Gageldonk, hebben misschien de Dymphna-devotie hier bevorderd.

De Reformatie

Tijdens de belegeringen van Breda in 1624 / 1625 en 1637 zijn de diensten in de kapel wellicht tijdelijk gestaakt, want vanaf 1637 was de uitoefening van de Katholieke eredienst binnen de stad officieel verboden. Na de vrede van Munster in 1648 werd dit verbod ook voor het platteland van kracht. De kerkgebouwen moesten door de katholieken worden ontruimd ten behoeve van de aanhangers van de gereformeerde religie.

De Amsterdamse oudheidkundige Andries Schoemaker, die in 1729 een reis maakte door de Generaliteitslanden en ook Gageldonk bezocht, tekende in zijn reisbeschrijving aan, dat de kapel met ‘stadtsslot’ gesloten was, ‘omdat de superstitieuse roomsgesinden daar niet soude nestelen’.

Herontdekt

In het begin van de twintigste eeuw bleek het gebouwtje door de pachter van de nabij gelegen boerderij als bergplaats gebruikt te worden, hetgeen vermoedelijk toen reeds geruime tijd het geval was. In 1907 werd de aandacht op de kapel gevestigd, toen twee leden van de Rijkscommissie, namelijk de secretaris Jan Kalf en architect G. de Hoog de Baronie van Breda doorkruisten. ‘Het was’ schreef Kalf later, ‘een wondere verrassing in zoo schaars bewoonde streek tusschen Breda en Beek een eind het land in, iets dat even aan een Frieschen kerktoren deed denken, boven het dak van een onder boomen verscholen boerderij te zien uitkomen en vlak daarbij, temidden van een ruigte van struikgewas op een welving van het terrein een oud kapelleke te vinden’. Het verwonderde Kalf ook er nog zoveel aan te treffen wat herinnerde aan de tijd, toen het gebouwtje nog voor de eredienst gebruikt werd. Het altaar was er nog met de mensa waarin de vijf ingekapte, laatgotische wijdingskruisjes nog duidelijk zichtbaar waren. In de zuidelijke veelhoekswand was een nisje met afwatering door de muur heen, de piscina dus. (nu nog aanwezig)

Ook ontdekte Kalf dat in de dichtgemetselde vensters de aanzetten bewaard waren van gemetselde tweedelige harnassen en dat de kapel overdekt was geweest met een rondbogig houten tongewelf, waarvan de schenkels nog volledig aanwezig, maar de delen der bebording grotendeels verdwenen waren.

Op de vuil geworden witte bepleistering van de muren waren de sporen van een wijdingskruis nog zichtbaar.

Ondanks de toestand van verval was Kalf verrukt van het schilderachtig gebouwtje. Zijn beschrijving eindigt aldus: ‘Het sterkst trof ons de milde welving van het royale rieten dak met zijn ruime overstek een prachtige schaduw op de muren legde, die als een kroonlijst van onbeschreven vorm muren en dak verbond.’

Eigendom

In 1917 gingen de toenmalige eigenaren over tot publieke verkoping van hun grondbezit onder Princenhage. Een van de speciale bepalingen bij deze veiling was dat de koper van het perceel waarop de kapel stond, verplicht was deze binnen zes maanden na de toewijzing af te breken en de grond gelijk te maken met de ten noorden gelegen weg na de Achterste Emer. De bedoeling van genoemde bepaling in de veilingvoorwaarden was blijkbaar mogelijk te maken, dat de weg in zuidelijke richting op gelijke breedte werd doorgetrokken.

Nog juist gered

Bij de veiling werd een aantal kopen toegewezen aan landbouwer H. Rops, onder andere het Hooghuis, waar hij als pachter woonde, en de omliggende grond, waartoe ook het perceel met de kapel hoorde. Rops was nu dus genoodzaakt het gebouwtje te slopen en verkocht het daartoe voor afbraak aan de aannemer J. Boot in Beek. Na bemoeienissen van de plaatselijke pastoor en uiteindelijk de gemeente en het rijk maakte de minister de pas opgerichte vereniging ‘Hendrick de Keyser’ te Amsterdam op de bedreigde kapel attent. De toenmalige voorzitter van ‘Hendrick de Keyser’ de heer J.Th. Boelen, schonk aan de vereniging 3000 gulden, de som die de eigenaren respectievelijk van de kapel en van de ondergrond gevraagd hadden.

Sinds 1 januari 2016 heeft in de Augustinusparochie, de parochiekern Bethlehem de kapel onder haar hoede. Hij is eigendom van de Stichting Hendrick de Keyser in Amsterdam.

Doelstelling van de parochiekern is om samen met de betrokken vrijwilligers de kapel een plek van rust, geloof en inspiratie te laten zijn, waar een ieder zich welkom voelt.

Vrijwilligerswerk

Een groep betrokken vrijwilligers zorgt ervoor dat:

– de deur dagelijks openstaat
– de kapel regelmatig schoongemaakt wordt
– de kaarsen worden aangevuld, het gras gemaaid
– de activiteiten in de kapel plaats kunnen vinden

Daar zijn we heel blij mee.

Vrijwilliger worden in de Maria Dymphnakapel

Wil je ook vrijwilliger worden en de handen uit de mouwen steken? Neem dan even contact op met het secretariaat 076-5410194. Je bent van harte welkom.

schoonmaak kapel Maria Dymphna

Verhuur gebouwen

Wilt u een viering houden in de Maria Dymphnakapel? Neem dan contact op met ons secretariaat: 076 – 5410194 of mail naar bethlehem@augustinusparochiebreda.nl.

Contact Maria Dymphna kapel

Heb je vragen over de Maria Dymphnakapel? Neem dan contact op met het secretariaat 076-5410194. Zij zijn aanwezig op maandag-, woensdag- en vrijdagochtend in de Lucaskerk.